Twin? Torsie? Om de snowboardtest goed te kunnen interpreteren is het handig om de terminologie een beetje te kennen. Een introductie:
Twin: Het board is compleet symmetrisch; de nose en de tail zijn dus hetzelfde. Dit is vooral handig voor freestylen en als je veel switch (met je verkeerde voet voor) rijdt.
Directional: Het board is niet symmetrisch, waardoor het met je goede voet voor makkelijker stuurt dan andersom. In de meeste gevallen is de nose groter dan de tail, waardoor het board in de poeder beter blijft drijven. Dit wordt ook wel een ‘tapered shape’ genoemd.
Radius: Een board is in het midden altijd getailleerd en loopt in de nose en tail breder uit. De mate van taillering wordt de radius genoemd en is uitgedrukt in meters. Dit bepaalt in grote mate de stuureigenschappen van een board. Een kleine radius draait gemakkelijk korte bochten, met een grote radius gaan langere bochten beter. Een board kan soms wel drie verschillende radii hebben, bijvoorbeeld tussen de nose en het midden, de bindingen en tussen het midden en de tail.
Graphics: De grafische print van het snowboard.
Lengte: De gehele lengte van een board, gemeten van de nose tot de tail.
Breedte: Gemeten op het smalste punt van het board. Je schoenmaat is een belangrijke factor voor het bepalen van de geschikte boardbreedte. Mid-wide boards zijn extra breed (25-26 cm) en geschikt tot en met schoenmaat 45. Wide boards zijn nog breder (rond 27 cm) en geschikt voor mensen met voeten groter dan schoenmaat 45.
Stance: De positie waarop je bindingen op je board gemonteerd zijn. Zowel het aantal graden waarop je bindingen ingedraaid staan als de positie ten opzichte van het midden van je board kan variëren. Als je ze vanaf het
midden gezien richting de tail verplaatst, heet dat ‘setback’, deze stance zorgt ervoor dat het board beter drijft in de poeder.
Flex: De stijfheid in de lengterichting van het board, met name in de nose en de tail. Meer flexibiliteit maakt het board makkelijk om te jibben. Minder flexibiliteit voorkomt dat het board gaat klapperen op hoge snelheid.
Torsie: De stijfheid in de breedterichting van het board, met name tussen de bindingen. Minder torsiestijfheid maakt een board meer vergevingsgezind. Een stijvere torsie rijdt directer en agressiever.
Pop: De ‘sprongkracht’ in de tail van het board. Hoe meer pop, hoe minder moeite je hoeft te doen om van de grond te komen.
Ski ABC
TERUG















