Skibindingen

Alles over skibindingen en afstelwaarden

Je hoort er weinig over, maar ze moeten voorkomen dat we de terugweg van de wintersport per gipsvlucht afleggen: de skibindingen. Best belangrijk dus. Dat je er weinig over hoort, komt doordat je vrijwel nooit een keuze hebt. Vrijwel alle ski’s worden tegenwoordig namelijk als set verkocht met een vaste binding.

Het afstellen van skibindingen

Het meest in het oog springende verschil tussen skibindingen is natuurlijk het verschil in instelwaarden: de zogenaamde Z-getallen. Deze lopen bijvoorbeeld van 3 tot 9 en andere van 7 tot 14. Waarden van 3 of 4 vormen de overgang tussen kinderbindingen en bindingen voor heel lichte volwassenen of net-niet-meer-kinderen. De kunst is altijd om een binding uit te zoeken waarbij jouw instelwaarde een beetje in het midden zit. De winkelier bepaalt deze aan de hand van een instelschema of tibiameting. Dus als jouw Z-getal 6 is, moet je geen binding hebben die bij 6 begint of bij 6 ophoudt. Maar een schaal die van 4 tot 9 loopt, is dan heel mooi. Het instelschema van de winkeliers zal altijd op een bescheiden waarde uitkomen. Dat is prima voor de doorsnee skiër. Maar heel sportieve skiërs, freeriders en freestylers stellen andere eisen. Zij willen hun bindingen graag zwaarder instellen. Zoekt de gewone skiër een binding die op tijd opengaat, veel experts zoeken juist een binding die zo lang mogelijk dicht blijft!

Voorvleugels

Je ziet het bijna niet, maar er zijn verschillen tussen de lengte van de ‘neusvleugels’ van verschillende teenstukken. Bovendien verschillen de hoeken die deze vleugels maken ten opzichte van de skischoenen. Korte neusvleugels met een wijde hoek (die dus ver naar buiten wijzen) zijn geschikt voor skiërs die met weinig snelheid skiën. Beginners en rustige comfortskiërs bijvoorbeeld. Het probleem met lage snelheden is dat er bij een val geen groot ‘impulsmoment’ is dat de binding openbreekt. Vandaar dat je altijd weer verhalen hoort over mensen met blessures die vielen ‘terwijl ik helemaal niet hard ging’ of erger nog: die omvielen in de rij voor de skilift! De korte vleugels moeten dit probleem oplossen. Op hogere snelheden is er bij een val ‘impuls’ genoeg en dus hebben sportieve skiërs meer aan lange voorvleugels die de schoen beter fixeren.

Elasticiteit

De vleugels gaan over het teenstuk van de binding. Maar ook in het hakstuk van de binding zitten verschillen tussen bindingen voor sportievere of rustigere skiërs. Het gaat dan over de ‘hoogte-elasticiteit’. Als er kracht komt te staan op het hakstuk (dus als de schoen op de één of andere manier naar voren wordt getrokken) is er een moment waarop de binding definitief opengaat. Maar er is ook een soort overgangsfase: het hakstuk beweegt wel omhoog, maar gaat niet definitief open. Dit is de hoogte-elasticiteit. Hoeveel kracht nodig is om het hakstuk te bewegen, hangt af van de zwaarte van de veer (en dus niet van de ingestelde Z-waarde!). Maar ski’s met hogere Z-waardes hebben automatisch zwaardere veren (die zwaarte wordt uitgedrukt in kilogram per centimeter). Bij skibindingen voor goede en snelle skiërs is het belangrijk dat de hoogte-elasticiteit groot is. Op het moment is 28 millimeter hoogte-elasticiteit het maximum voor de hakstukken en is 52 millimeter zijdelingse elasticiteit het maximum voor teenstukken. Uiteraard hebben teenstukken met korte vleugels weinig zijdelingse elasticiteit!

Gerelateerde blogs